Bestellen? gorterd@protonmail.com
Woord vandaag
behoort tot een andere stam,
waarvan niemand zich tot
het altaar begeven heeft.
Hebreeën 7:13b
De Heer kwam uit Juda, in
Mattheüs 1, Lukas 3 meldt
de Schrift wat Zijn afkomst is.
Daaruit blijkt duidelijk, dat de
Heer volgens het vlees uit
Davids familie komt (Rom.1:3;
2Tim.2:8).
Van Juda kon nooit gezegd,
dat het priesterschap in die
stam thuishoorde. De stam
Levi was door Jahweh daar-
voor aangewezen.
In Numeri 3:39; 4:47; 8:17
wordt iets gezegd over de
Levieten. Tussen hun 30e en
50e zouden zij dienstwerk in
de tabernakel en tempel
doen. Later werd dit door
koning David veranderd in
20-50 jaar.
Maar uit de stam van Juda
mocht niemand naderen tot
het (reukoffer)altaar.
De Levieten wel. Daarom kon
zelfs de Heer Jezus niet in de
de heilige plaatsen van de
tempel komen, Hij kwam wel
op het tempelterrein, voorhof,
gewijde plaats, rondom de
tempel.
Woord vandaag
Want Hij van Wie deze dingen
gezegd worden
Hebreeën 7:13a
De brief spreekt van Christus.
Wij zouden, net als waartoe de
gelovigen uit Israël opgeroep-
en werden, geestelijk gericht
blijven op Hem Die uitermate
hoog verhoogd is.
Vanaf 1:1 is dat aan de orde; Hij
is de Zoon van God, hoger dan
wie ook. Gelovigen uit Israël in
die dagen werden zo gericht op
de heerlijkheid die Christus nu
heeft. Vanaf die positie heeft Hij
de heerlijkheid van het evangelie
van Paulus gegeven.
De verbinding daarmee konden
de gelovigen uit Israël wellicht
gaan zien. Ook bij hen bleef het
een uitroeping; relatief weinigen
gingen met Paulus’ evangelie
mee en werden zo toegevoegd
aan het lichaam van Christus.
Zij verlieten zo de gemeente die
het aardse koninkrijk binnen zou
en zal gaan. Bij deze groep horen
ook de 7 ekklesia’s uit Openbaring
2 en 3. Gezien de inhoud van de
boodschappen aan hen, is het
absoluut onmogelijk dat toe te
passen op ons als de leden van
Zijn lichaam.
Woord vandaag
Want Hij van Wie deze dingen
gezegd worden
Hebreeën 7:13a
De schrijver spreekt inmiddels
al sinds 1:13 over Christus als
de Hogepriester en Koning in
de orde van Melchizedek, daar
citeert hij Psalm 110, waar het
over deze opmerkelijke figuur
uit Genesis 14 gaat. Maar ook
in 2:17, waar dan uitdrukkelijk
het hogepriesterschap van de
Heer Jezus benoemd wordt.
In 3:1 noemt hij de ophemelse
roeping, de verwijzing naar
wat Paulus in Efeziërs bekend
maakt. Want zelfs in Romeinen
gebruikt de apostel deze term
nog niet. Voor de gelovigen uit
Israël die het aardse koninkrijk
verwachtten, was dit minstens
een sterke aanwijzing. En pas
in 4:14 weer Hogepriester, met
erbij de opmerking, dat Hij de
hemelen is doorgegaan.
Conclusie kan dan zijn, dat Hij
in het op-hemelse bereik kwam.