Die geen noodzaak heeft
om dagelijks, evenals de
hogepriesters, eerst voor de
eigen zonden offers op te
brengen, vervolgens die van
het volk, want dit heeft Hij
eens voor altijd gedaan,
Zichzelf offerend
Hebreeën 7:27
Als toekomstige hogepriester
gaf de Heer Jezus Christus
Zich als Offer – voor allen.
Dat was dan ook éénmaal,
terwijl de priesters in de oude
situatie steeds weer, dagelijks,
offers moesten brengen. Dat
hield al voor het geestelijk oog
in, dat die dienst zeker geen
volkomenheid kon brengen.
God had in deze offers en in
het bloed behagen voor zover
het naar Christus’ kostbare
bloed zou verwijzen – en dat
deed het.
Vandaar dat de aanklacht in
Maleachi (1:6-8 e.a) tegen de
priesters was, dat zij dieren
offerden die een gebrek
hadden. Jahweh liet merken
daar uiterst ontstemd over
te zijn. Zij waren onrein, die
priesters!
Dat het dieren moesten zijn
die geen gebrek hadden, is
achteraf duidelijk.
Zij moesten naar Hem, Die
zonder zonde was, verwijzen.
Alleen zo kon Hij volkomen
de zonde op Zich nemen en
werd God gerechtvaardigd.