Nu echter Timotheüs van
jullie naar ons toe gekomen
is en ons de goede boodschap
bracht van jullie geloof en
jullie liefde – en dat jullie een
goede herinnering aan ons
hebben, altijd ernaar
verlangend ons te zien, net
als ook wij jullie
1 Thessalonicenzen 3:6
Het verlangen van Paulus en
de Thessalonicenzen naar
elkaar was intens.
Dat kwam door de geestelijke
band die was ontstaan. Paulus
had met hen het evangelie van
God gedeeld. Zij geloofden dat
zonder meer. God werkte daar
op bijzondere wijze: snel, goed
en ingrijpend.
Zij bleven enthousiast het aan
hen gebrachte evangelie volgen.
Er waren ook Israëlieten die dat
evangelie geloofden.
Zij verwachtten, dat de Messias
zou terugkeren naar Zijn volk.
De Representant van Jahweh,
Die zou komen en Zijn voeten
op de Olijfberg zou zetten.
Zij wisten dat de Messias Jezus
het is, Die voor hen stierf en
was opgewekt uit de doden.
Deze Joodse gelovigen konden
ook weten uit Tenach, dat nog
een grote verdrukking over hen
zou komen voordat de Messias
zou komen.
Toch horen zij nu, dat Jezus hen
zou bergen uit het komen van
de verontwaardiging. Dat zou
diverse vragen opleveren. Het
is mogelijk dat Timotheüs die
mee had genomen. Deze brief
zal dan -mede- het antwoord
geweest zijn.
Nu echter Timotheüs van
jullie naar ons toe gekomen
is en ons de goede boodschap
bracht van jullie geloof en
jullie liefde – en dat jullie een
goede herinnering aan ons
hebben, altijd ernaar
verlangend ons te zien, net
als ook wij jullie
1 Thessalonicenzen 3:6
Timotheüs ‘evangeliseerde’
over het geloof en de liefde
van hen. Daar was Paulus
heel verheugd over. Toch is
hier niet iets gezegd over
de verwachting, terwijl dat
in 1:1-5 wél genoemd werd.
Soms is het spannend als er
berichtgeving moet komen.
Hier meldde Timotheüs fijne
dingen over de ekklesia daar.
Wellicht beluisterde Paulus
daarin ook dat e.e.a. ontbrak.
Misschien waren er allerlei
vragen naar aanleiding van
het gesprokene.
In deze brief lazen wij in 1:10
al een hint, dat zij (en wij) de
Zoon verbeiden, Die uit de
hemelen zal komen om hen
(en ons) te bergen, precies
op tijd.
Los van alle tegenspraak
echter, is de mindere
gezegend door de betere
Hebreeën 7:7
De begunstiging (zegen) zal
altijd van de betere naar de
mindere gaan. Dit principe
geldt bij de eerstgeborene;
die krijgt de vaderlijke zegen.
In Genesis lees je van tijd tot
tijd, dat niet de eerstgeboren
zoon de zegen krijgt. Izaäk,
Jakob, Juda, Efraïm; dat zijn
sprekende voorbeelden.
Natuurlijk komt alle zegen
van God, alles is uit Hem.
Dit is weer zo’n waarheid in
de Schrift, die geen tegen-
spraak (Grieks: antilogia =
in plaats van spreking) duldt.
Indien wij voor anderen ‘tot
zegen’ kunnen zijn, dan is
dat uit God. Gods geest die
in ons werkt, zorgt ervoor,
dat wij geduldig, barmhartig
en zachtmoedig kunnen zijn.
Wandel in wijsheid, de derde aansporing
in Efeze 5. Paulus wijst ons op het in
wijsheid met elkaar omgaan in het
lichaam van Christus.
Naluisteren: deel A en deel B
Hij echter die niet uit hun
geslacht gekomen is, heeft
van Abraham tienden geïnd,
en heeft hem die de beloften
had gezegend
Hebreeën 7:6
Melchizedek was hoger dan
Abram; hij was toen priester
en koning namens EL Eljon,
God, de Allerhoogste.
Daarom werd Abram door
hem gezegend; Abram gaf
hem tienden. Melchizedek
wist dat de voorname, rijke
Abram, beloften mee had
gekregen van EL Eljon.
Daarom bracht hij brood en
wijn toen Abram na grote
overwinning terugkeerde.
Abram had geen buit mee-
genomen, want hij wist dat
Jahweh hem de zege had
geschonken (Gen.14:22-24).
Het loon en het schild voor
Abram was echter Jahweh
Zelf (Gen.15:1), zo hoorde
hij uit Zijn mond.
En is dat voor ons ook niet
zo? Het loon dat mogelijk
ons gegeven wordt bij het
erepodium, is van Christus.
Hij gaf de kracht, leven en
alles om te kunnen doen
wat Hij wilde. En het schild
van geloof is ook uit Hem;
God geeft dat immers!
Copyright © All rights reserved.