Het geloof echter is de
aanneming van zaken die
verwacht worden, de
aantoning van wat niet
gezien wordt
Hebreeën 11:1
Het geloof is geen ‘bewijs’ zoals
de Statenvertaling en Herziene
Satenvertaling vertaald hebben.
Het woord aanneming is heel
letterlijk: onder-staan. Dat doet
de gelovige, die stelt zich onder
wat hij/zij van God hoort.
De beloften van God zullen echt
vervuld worden; dat verwachten
ook wij. Nu is onze verwachting
niet het aardse koninkrijk, maar
het ophemelse koninkrijk.
Bij Israël is het koninkrijk van de
hemelen wat (op aarde) komt
de verwachting. En Hebreeën
spreekt er hier ook over. Wat
niet tastbaar is, is geloof. Toch
wordt dat hier in 11:1 benoemd
als een aantoning. Voor geloof
werkt wat God zegt op zich al
als aantonen, als overtuigende
bewijsvoering. Dus niet: ‘eerst
zien en dan pas geloven’. Nee.
Het geloof is overtuigd van wat
(nog) niet gezien wordt, er is al
aantoning genoeg: God zegt het.