Brandoffers en die aangaande
de zonde acht U niet goed.
Toen zei Ik: ‘Neem waar, Ik kom;
in de hoofdsom van de boekrol
geschreven over Mij – Om te
doen, O God, Uw wil’
Hebreeën 10:6,7
Offers, naderingsgeschenken
(Leviticus 2,3) en brandoffers
(Leviticus 1) en zondoffers
(Leviticus 4,5); bijna alle offers
worden beknopt genoemd.
God had geen behagen in die
offers: ‘wilt U niet’ en ‘acht U
niet goed’. God had Hem een
lichaam toebereid. Zo offerde
Christus Zich smetteloos voor
God (Hebr.9:14), niet aan het
kruis, maar bij Zijn komst in de
wereld. Zoals de offeraar in
Israël zijn offer bij de opening
van de tent van ontmoeting
bracht, zoals in Leviticus 1:3
omschreven.
Dat maakt deze uitspraak zo
bijzonder, vanuit Psalm 40: de
Heer Jezus Christus, Die Zich
voor Zijn God en Vader opstelt
en Zichzelf gaat offeren.
In plaats van al die dieren, waar
Zijn Vader geen behagen in had,
kwam Hij in Wie Vader wél Zijn
allergrootste welbehagen heeft.