Want iedere hogepriester
wordt ingezet voor het
brengen van zowel
naderingsgeschenken als
offers. Daarom ook voor
Deze de noodzaak iets te
hebben dat Hij er naartoe
zou dragen
Hebreeën 8:3
De schrijver verwijst naar de
Thora, waarin voorgeschreven
is wat de hogepriester doet.
In elk geval kon de Israëliet
offers en qorban (naderings-
geschenken) brengen. Het ene
was verplicht; het andere was
vrijwillig.
Hogepriesters werden ingezet,
jaarlijks, op grote verzoendag
(Jom Kipoer), met het bloed
van een bokje bij de ark van
het verbond te komen in het
allerheiligste van tabernakel
en tempel. Waarom? Om het
bloed te sprenkelen op het
deksel van bescherming. Toch
was dat alles tijdelijk; offers en
hogepriesterschap wierpen de
schaduw vooruit naar de komst
van de grote Hogepriester. Die
is echter van andere orde.
Die moest ook ‘iets’ hebben om
naar God toe te brengen.
Het schaduwbeeld van de oude
situatie was door God ingesteld.
Het volle Licht, Degene waar het
in werkelijkheid om ging, moest
nog komen.
een Bedienaar van de heilige
plaatsen en de waarachtige
tent, die de Heer opgeslagen
heeft, en niet een mens
Hebreeën 8:2
Nadat in vers 1 in de hemelen
klonk, wordt Christus nu als
de Bedienaar aangemerkt. De
speciale functie die direct te
maken heeft met Zijn positie
als Hogepriester. Dat is Hij nu
niet op aarde, dat duurt nog
even. De heilige plaatsen en
de waarachtige tent moet
verwijzen naar de tabernakel,
het heilige en het heilige van
de heiligen. Het gaat dan om
iets bijzonders. De Heer heeft
deze opgeslagen, en opdat wij
niet denken aan mensenwerk:
en niet een mens. Wat heeft de
schrijver – door de heilige geest
geleid – dan bedoeld? Mozes
had de tabernakel laten
opbouwen naar het voorbeeld
dat hem op de berg getoond
was. De hemelse tabernakel, en
dat is een die de Heer Zelf had
gemaakt en opgezet.
Dat was en is verkondiging van
de hemelse ‘dingen’.
Paulus spreekt in het evangelie van God
aangaande Zijn Zoon Jezus Christus
over de rechtvaardigheid van God die
daarin onthuld wordt. Dat was revolutionair
in zijn dagen. Naluisteren: HIER
Want jullie weten wat voor
opdrachten wij jullie gegeven
hebben door de Heer Jezus
1 Thessalonicenzen 4:2
Aan Timotheüs gaf Paulus
opdracht om uit te voeren,
toen Timotheüs zijn functie(s)
ging voortzetten.
De Thessalonicenzen kregen
van Paulus diverse. Het zijn
aanwijzingen in liefde, om de
liefde van God te leven. Om
zo het goede nieuws, de wel-
boodschap (evangelie) van
de genade van God te tonen
en te evangeliseren.
Met het ook op de heerlijke
verwachting die Paulus door
deze bijzondere brief bekend
mocht maken. Als je met je
hart weet dat de Heer komt,
dan bereid je je daarop voor.
Je leven ziet er dan anders uit
dan wanneer je denkt dat het
nog lang (minstens 100 jaar)
kan duren. Laten wij dan erg
goed luisteren naar de Heer,
Die via de apostel spreekt!
Voor het overige dan,
broeders, vragen wij jullie
en spreken jullie aan in de
Heer Jezus, opdat, zoals
jullie van ons aangenomen
hebben hoe jullie moeten
wandelen en God behagen
– zoals jullie ook wandelen –
opdat jullie daarin veeleer
overvloeien.
1 Thessalonicenzen 4:1
Het is met de ondertoon van
genade (en dus vreugde) dat
Paulus dit zegt. De tussenzin:
zoals jullie van ons aange-
nomen hebben spreekt van
de genade van God onder
de Thessalonicenzen. Het
tot hen gesprokene hadden
zij immers aanvaard, niet als
een woord van mensen. Het
was voor hen Gods woord.
Natuurlijk was daarbij ook
de gedragsverandering aan
de orde gekomen. Het hoe
jullie moeten wandelen en
God behagen is logisch, als
we ons herinneren dat zij
zich van de afgoden af naar
de levende God toe gekeerd
hadden (1Thes.1:9,10).
Het moeten betekent in de
grondtekst binden. Zij waren
geestelijk verbonden met de
levende God, in Zijn genade.
Die vreugde uitleven is tot
eer van Hem willen zijn. Zij
wandelden al zo, en Paulus
spoort aan: opdat jullie erin
veeleer overvloeien.
Copyright © All rights reserved.