Voor het overige dan,
broeders, vragen wij jullie
en spreken jullie aan in de
Heer Jezus, opdat, zoals
jullie van ons aangenomen
hebben hoe jullie moeten
wandelen en God behagen
– zoals jullie ook wandelen –
opdat jullie daarin veeleer
overvloeien.
1 Thessalonicenzen 4:1
Het is met de ondertoon van
genade (en dus vreugde) dat
Paulus dit zegt. De tussenzin:
zoals jullie van ons aange-
nomen hebben spreekt van
de genade van God onder
de Thessalonicenzen. Het
tot hen gesprokene hadden
zij immers aanvaard, niet als
een woord van mensen. Het
was voor hen Gods woord.
Natuurlijk was daarbij ook
de gedragsverandering aan
de orde gekomen. Het hoe
jullie moeten wandelen en
God behagen is logisch, als
we ons herinneren dat zij
zich van de afgoden af naar
de levende God toe gekeerd
hadden (1Thes.1:9,10).
Het moeten betekent in de
grondtekst binden. Zij waren
geestelijk verbonden met de
levende God, in Zijn genade.
Die vreugde uitleven is tot
eer van Hem willen zijn. Zij
wandelden al zo, en Paulus
spoort aan: opdat jullie erin
veeleer overvloeien.