Ook niet opdat Hij Zichzelf
vaak zou brengen, evenals de
hogepriester binnenkomt in
de heiligen van de heiligen,
jaarlijks, met het bloed van
anderen
Hebreeën 9:25
De schrijver vergelijkt verder
de aardse situatie met wat in
het ophemelse is. Christus is
in het ware heiligdom boven
binnengegaan als Getuige
dat Zijn werk voltooid was,
Zijn eigen bloed gevloeid had.
In tegenstelling was daar de
aardse hogepriester die elk
jaar met bloed van stieren
en bokken kwam; het bloed
van anderen. Het bloed was
het getuigenis van de dood
van het offerdier. Het bloed
van Christus getuigt van Zijn
dood én Zijn lijden.
Zijn werk was éénmalig en
volkomen. Eens voor altijd,
de zonde(n) was (waren) weg.
Wat een evangelie, het gaat
om Zijn dood, Zijn bloed, en
dat was in één keer afdoende
opdat uiteindelijk allen in de
Christus’ heerlijkheid delen.