En inderdaad, zij die uit de
zonen van Levi het
priesterambt ontvangen,
hebben een gebod om
tienden te innen van het
volk naar de wet, dat is,
van hun broeders, ook
al zijn zij gekomen uit de
lende van Abraham
Hebreeën 7:5
Nakomelingen van Levi naar
het vlees konden priesters
zijn. Uit Aäron kwamen de
hogepriesters, zoals Eleazar.
Naar het vlees kon de Heer
Jezus geen (hoge)priester
zijn. Abram gaf tienden aan
Melchizedek. Later stelde
Jahweh voor Israël in, dat
zij tienden moesten geven
van de opbrengsten van het
land. De levieten inden deze
heffing, zodat zij zelf ervan
konden leven. Dit voorschrift
was aan Israël gegeven; men
moest dat toepassen. Door
de farizeeën werd daar strikt
de hand aan gehouden.
In menige christelijke groep
wordt het geven van tienden
als (dwingende) richtlijn uit
de Bijbel aangegeven. Voor
het lichaam van Christus is
er geen enkele richtlijn of
voorschrift voor het geven
ingesteld. Dat harmonieert
met overstromende genade,
waarin iedereen volkomen
vrij is om wel/niet te geven.
Als er al ‘een werk’ bezig is
binnen gelovigen, dan zou
dat in geloof zijn, met het
vertrouwen op de Heer, dat
Hij zal voorzien in wat nodig
is.