Hogerop zegt Hij: “Offer
en naderingsgeschenk en
brandoffers en die
aangaande de zonde wilt
U niet, noch acht U ze
goed,” (welke dan ook
overeenkomstig de wet
gebracht worden)
Hebreeën 10:8
In de Thora waren veel
offers voorgeschreven.
Op de gezette hoogtijden
van Jahweh, zoals Jom
Kipoer en andere, moesten
nog extra offers gebracht.
Jahweh had geen behagen
in al die offers, behalve dat
zij verwezen naar Hem Die
komen zou. Hij vervulde de
Thora, Zijn bloed nam wél
de zonde(n) weg. Zijn leven,
Zijn dienstwerk, Zijn lijden,
dood; het was welriekende
reuk voor Zijn God en Vader.
In dit deel van Hebreeën is
het contrast tussen oud en
nieuw verbond scherp te
zien. Het oude was alles in
schaduwen; het nieuwe is
voor Israël het ware licht.
De Heer zei over Zichzelf:
Ik ben het Licht van de
wereld (Joh.8:12) tegen de
achtergrond van ongeloof
van Zijn volksgenoten.