Zo heeft ook Christus Zichzelf
niet verheerlijkt hogepriester
te worden, maar Hij Die tegen
Hem gesproken heeft:
Mijn Zoon ben Jij, Ik heb Jou
heden voortgebracht.
Hebreeën 5:5
De Zoon is ooit door de Vader
voortgebracht, uit God Zelf.
Vanaf dat ‘moment’ was er
sprake van Vader en Zoon. Er
kan dus per definitie niet iets
als ‘het eeuwige zoonschap
van Christus’ bestaan. Vanaf
1:1 is Hebreeën bezig met de
geweldige positie die Christus
als de Zoon van God bekleedt.
En nu, in hoofdstuk 5, wordt
dit met ‘hogepriester zijn’ en
wat daarbij hoort, verbonden.
De uitspraak getuigt van liefde
van de Vader: Mijn Zoon ben
jij. Te horen bij Zijn doop en
de verheerlijking op de berg.
Nu wij als de leden van Zijn
lichaam bij Hem horen, zijn
ook wij zonen (en dochters)
van die Vader, Die ons nooit
loslaat, altijd liefheeft.