Want iedere hogepriester
wordt ingezet voor het
brengen van zowel
naderingsgeschenken als
offers. Daarom ook voor
Deze de noodzaak iets te
hebben dat Hij er naartoe
zou dragen
Hebreeën 8:3
De schrijver verwijst naar de
Thora, waarin voorgeschreven
is wat de hogepriester doet.
In elk geval kon de Israëliet
offers en qorban (naderings-
geschenken) brengen. Het ene
was verplicht; het andere was
vrijwillig.
Hogepriesters werden ingezet,
jaarlijks, op grote verzoendag
(Jom Kipoer), met het bloed
van een bokje bij de ark van
het verbond te komen in het
allerheiligste van tabernakel
en tempel. Waarom? Om het
bloed te sprenkelen op het
deksel van bescherming. Toch
was dat alles tijdelijk; offers en
hogepriesterschap wierpen de
schaduw vooruit naar de komst
van de grote Hogepriester. Die
is echter van andere orde.
Die moest ook ‘iets’ hebben om
naar God toe te brengen.
Het schaduwbeeld van de oude
situatie was door God ingesteld.
Het volle Licht, Degene waar het
in werkelijkheid om ging, moest
nog komen.