Want Hij van Wie deze dingen
gezegd worden
Hebreeën 7:13a
De schrijver spreekt inmiddels
al sinds 1:13 over Christus als
de Hogepriester en Koning in
de orde van Melchizedek, daar
citeert hij Psalm 110, waar het
over deze opmerkelijke figuur
uit Genesis 14 gaat. Maar ook
in 2:17, waar dan uitdrukkelijk
het hogepriesterschap van de
Heer Jezus benoemd wordt.
In 3:1 noemt hij de ophemelse
roeping, de verwijzing naar
wat Paulus in Efeziërs bekend
maakt. Want zelfs in Romeinen
gebruikt de apostel deze term
nog niet. Voor de gelovigen uit
Israël die het aardse koninkrijk
verwachtten, was dit minstens
een sterke aanwijzing. En pas
in 4:14 weer Hogepriester, met
erbij de opmerking, dat Hij de
hemelen is doorgegaan.
Conclusie kan dan zijn, dat Hij
in het op-hemelse bereik kwam.