Woord vandaag
Los van alle tegenspraak
echter, is de mindere
gezegend door de betere
Hebreeën 7:7
De begunstiging (zegen) zal
altijd van de betere naar de
mindere gaan. Dit principe
geldt bij de eerstgeborene;
die krijgt de vaderlijke zegen.
In Genesis lees je van tijd tot
tijd, dat niet de eerstgeboren
zoon de zegen krijgt. Izaäk,
Jakob, Juda, Efraïm; dat zijn
sprekende voorbeelden.
Natuurlijk komt alle zegen
van God, alles is uit Hem.
Dit is weer zo’n waarheid in
de Schrift, geen tegenspraak
(Grieks: antilogia = in plaats
van spreking) duldt.
Indien wij voor anderen ‘tot
zegen’ kunnen zijn, dan is
dat uit God. Gods geest die
in ons werkt, zorgt ervoor,
dat wij geduldig, barmhartig
en zachtmoedig kunnen zijn.
Woord vandaag
Hij echter die niet uit hun
geslacht gekomen is, heeft
van Abraham tienden geïnd,
en heeft hem die de beloften
had gezegend
Hebreeën 7:6
Melchizedek was hoger dan
Abram; hij was toen priester
en koning namens EL Eljon,
God, de Allerhoogste.
Daarom werd Abram door
hem gezegend; Abram gaf
hem tienden. Melchizedek
wist dat de voorname, rijke
Abram, beloften mee had
gekregen van EL Eljon.
Daarom bracht hij brood en
wijn toen Abram na grote
overwinning terugkeerde.
Abram had geen buit mee-
genomen, want hij wist dat
Jahweh hem de zege had
geschonken (Gen.14:22-24).
Het loon en de schild voor
Abram was echter Jahweh
Zelf (Gen.15:1), zo hoorde
hij uit Zijn mond.
En is dat voor ons ook niet
zo? Het loon dat mogelijk
ons gegeven wordt bij het
erepodium, is van Christus.
Hij gaf de kracht, leven en
alles om te kunnen doen
wat Hij wilde. En het schild
van geloof is ook uit Hem;
God geeft dat immers!
Woord vandaag
En inderdaad, zij die uit de
zonen van Levi het
priesterambt ontvangen,
hebben een gebod om
tienden te innen van het
volk naar de wet, dat is,
van hun broeders, ook
al zijn zij gekomen uit de
lende van Abraham
Hebreeën 7:5
Levi was in de lende van de
aartsvader, en zo gezien gaf
Levi de tienden. Melchizedek
kon die innen, gelet op zijn
positie. Daaruit is zichtbaar,
dat deze koning-priester wel
een type moet zijn van Hem,
Die komen zou.
Volgens de wet in Numeri 18:
21-29; Deuteronomium 12:17-
19; 14:22-29 moest Israël de
heffingen opbrengen. Er was
ook een 3-jaarlijkse; dat werd
opgeslagen als voorraad voor
ook de minder bedeelden en
‘vreemdelingen in de poort’.
Binnen de agrarische samen-
leving van Israël was dat heel
logisch, zeer sociaal. Hierin zie
je de liefde van Jahweh weer
uitkomen. In de Schrift klinkt
steeds dat men zou omzien
naar de wees en de weduwe,
de zwakkeren.
Woord vandaag
En inderdaad, zij die uit de
zonen van Levi het
priesterambt ontvangen,
hebben een gebod om
tienden te innen van het
volk naar de wet, dat is,
van hun broeders, ook
al zijn zij gekomen uit de
lende van Abraham
Hebreeën 7:5
Nakomelingen van Levi naar
het vlees konden priesters
zijn. Uit Aäron kwamen de
hogepriesters, zoals Eleazar.
Naar het vlees kon de Heer
Jezus geen (hoge)priester
zijn. Abram gaf tienden aan
Melchizedek. Later stelde
Jahweh voor Israël in, dat
zij tienden moesten geven
van de opbrengsten van het
land. De levieten inden deze
heffing, zodat zij zelf ervan
konden leven. Dit voorschrift
was aan Israël gegeven; men
moest dat toepassen. Door
de farizeeën werd daar strikt
de hand aan gehouden.
In menige christelijke groep
wordt het geven van tienden
als (dwingende) richtlijn uit
de Bijbel aangegeven. Voor
het lichaam van Christus is
er geen enkele richtlijn of
voorschrift voor het geven
ingesteld. Dat harmonieert
met overstromende genade,
waarin iedereen volkomen
vrij is om wel/niet te geven.
Als er al ‘een werk’ bezig is
binnen gelovigen, dan zou
dat in geloof zijn, met het
vertrouwen op de Heer, dat
Hij zal voorzien in wat nodig
is.