Zo heeft ook Christus Zichzelf
niet verheerlijkt hogepriester
te worden, maar Hij Die tegen
Hem gesproken heeft:
Mijn Zoon ben Jij, Ik heb Jou
heden voortgebracht.
Hebreeën 5:5
De Zoon is ooit door de Vader
voortgebracht, uit God Zelf.
Vanaf dat ‘moment’ was er
sprake van Vader en Zoon. Er
kan dus per definitie niet iets
als ‘het eeuwige zoonschap
van Christus’ bestaan. Vanaf
1:1 is Hebreeën bezig met de
geweldige positie die Christus
als de Zoon van God bekleedt.
En nu, in hoofdstuk 5, wordt
dit met ‘hogepriester zijn’ en
wat daarbij hoort, verbonden.
De uitspraak getuigt van liefde
van de Vader: Mijn Zoon ben
jij. Te horen bij Zijn doop en
de verheerlijking op de berg.
Nu wij als de leden van Zijn
lichaam bij Hem horen, zijn
ook wij zonen (en dochters)
van die Vader, Die ons nooit
loslaat, altijd liefheeft.
Zo heeft ook Christus Zichzelf
niet verheerlijkt hogepriester
te worden, maar Hij Die tegen
Hem gesproken heeft:
Hebreeën 5:5
Net als de hogepriesters in
Israël stelde de Heer Jezus niet
Zichzelf als Hogepriester aan.
Ook Hij is daartoe geroepen.
Bijzonder, Hij is in alles uniek.
De orde liep van Aäron af en
ten tijde van de Heer was
Kajafas dat. De hogepriester
zei dat het beter was dat één
zou sterven ten behoeve van
het volk. Men wilde Hem ter
dood (laten) brengen omdat
Zijn ‘aanhang’ bij het volk in
de ogen van het Sanhedrin te
groot werd. Zijn woorden zijn
geest en leven; en in de tekst
gaat het erom dat tot Hem is
gesproken, wat een zeer groot
allesbeslissend gevolg had.
En niemand neemt voor zich-
zelf die eer, maar wordt
geroepen door God, zoals
immers ook Aäron
Hebreeën 5:4
Het hogepriester zijn in Israël
was geen keuze; God riep.
Hij koos Aäron uit Levi, om de
eerste hogepriester in Israël
te zijn en zo Gods woorden
uit te dragen in onderricht en
in de vele gebruiken/offers die
God ingesteld had.
Een belangrijke, leidinggevende
functie. Priesters moesten zich
onderschikken aan hem. En op
zijn beurt onderschikte hij aan
Elohim, aan Jahweh (Ik ben).
En zo zou ook dat principe van
onderschikken doorwerken in
het volk. Ook de profeten en
later ook de koningen zouden
hun functie vervullen, gericht
op het onderschikken van heel
Israël.
en vanwege dat moet hij,
zoals voor het volk zo ook
voor zichzelf, offers brengen
voor zonden
Hebreeën 5:3
De hogepriester in Israël was
net zo mens als al de anderen.
Daarom moest hij ook voor de
eigen begane zonden offers
brengen. Dat was bescherming
tegen de gevolgen die ze anders
zouden hebben. De Thora was
als zodanig ook een bediening
van veroordeling. In Hebreeën 1
werd al even gezegd, dat Hij, de
Zoon, de reiniging van zonden
bewerkt heeft. Dat zou de lezer
(of luisteraar) zich bedenken.
Al de offers de gebracht waren;
ze waren nodig tot onderricht
over de wegen, methodes van
God. Het principe: zonde voor
zonde moest eerst duidelijk zijn,
en in het complement van de
tijd kwam Hij, Die al de beelden
overbodig maakte.
Christus komt naar voren in de Psalmen,
Hij is het, Die wij teruglezen in de woorden
van David. Ook ons spreken zij aan, die
woorden. Somberheid, ontmoediging, wie
kent zulke zielbewegingen niet?
Naluisteren: HIER
Copyright © All rights reserved.