Voor het overige dan,
broeders, vragen wij jullie
en spreken jullie aan in de
Heer Jezus, opdat, zoals
jullie van ons aangenomen
hebben hoe jullie moeten
wandelen en God behagen
– zoals jullie ook wandelen –
opdat jullie daarin veeleer
overvloeien.
1 Thessalonicenzen 4:1
Het is met de ondertoon van
genade (en dus vreugde) dat
Paulus dit zegt. De tussenzin:
zoals jullie van ons aange-
nomen hebben spreekt van
de genade van God onder
de Thessalonicenzen. Het
tot hen gesprokene hadden
zij immers aanvaard, niet als
een woord van mensen. Het
was voor hen Gods woord.
Natuurlijk was daarbij ook
de gedragsverandering aan
de orde gekomen. Het hoe
jullie moeten wandelen en
God behagen is logisch, als
we ons herinneren dat zij
zich van de afgoden af naar
de levende God toe gekeerd
hadden (1Thes.1:9,10).
Het moeten betekent in de
grondtekst binden. Zij waren
geestelijk verbonden met de
levende God, in Zijn genade.
Die vreugde uitleven is tot
eer van Hem willen zijn. Zij
wandelden al zo, en Paulus
spoort aan: opdat jullie erin
veeleer overvloeien.
De hoofdzaak echter over wat
wij zeggen is dit: wij hebben een
zodanige Hogepriester, Die is
gezeten is aan de rechter(kant)
van de troon van de Majesteit
in de hemelen
Hebreeën 8:1
Langzaam maar zeker gaat de
schrijver het onderwerp: de
Zoon is Hogepriester afronden.
Dat blijkt de ‘hoofdzaak’ die de
schrijver nu benoemt.
Deze bijzondere Hogepriester
zetelt niet in Jeruzalem, maar
in de hemelen. En dat zelfs aan
de rechter(kant) van de troon,
de plaats van macht, kracht.
Troon spreekt van regering, de
voorloper Melchizedek was de
Koning en Hogepriester.
De Hebreeën zouden zich dus
bewust worden, dat zij een
hemelse Hogepriester/Koning
hebben. Die zal Zijn macht en
heerlijkheid op aarde tonen in
de komende eon. Toch wordt
door: in de hemelen gewezen
op Zijn hemelse positie nu, en
daarover is door Paulus in de
Efezebrief geschreven.
Paulus spreekt de oudsten in Milete toe.
We horen een terugblik op zijn voorbije
dienstwerk en wat hem en de gelovigen
te wachten staat.
Naluisteren: deel A en deel B
Want de wet zet mensen in:
hogepriesters die zwakheid
hebben; het woord echter
gezworen van de eed dat na
de wet kwam, stelt de Zoon
in, voor de eon, volmaakt.
Hebreeën 7:28
Hét onderwerp in Hebreeën
is de Zoon van God. Christus,
die gezegend is met de Naam
boven alle Naam: Jahweh is
Redder, in Grieks: Jezus.
Vanaf 1:1 spreekt deze brief
over Hem. Hij is Hogepriester
in orde van Melchizedek.
Dat van de laatstgenoemde
geen geslachtsregister of iets
dergelijks vermeld wordt,
suggereerde in verband met
de komende Zoon van God
Zijn blijvende status.
In Hebreeën 7:3,16,21 is dat
onder meer bevestigd.
In Hebreeën 1 is uitgebreid
gemeld, dat Hij de reiniging
van zonden teweegbracht en
nu verhoogd is door God aan
Zijn rechter(hand).
Zijn status als Koning én groot
Hogepriester zal Hij uitoefenen
in de komende eon; daarna
regeert Hij als Koning én Hoofd
over uiteindelijk heel de nieuwe
schepping.
Al de dagen, de tijd, ook de
komende 1000 jaren; zij gaan
voorbij. Maar Hij blijft; maakt
alles volkomen, in de wil van
Zijn Vader.
Want de wet zet mensen in:
hogepriesters die zwakheid
hebben; het woord echter
gezworen van de eed dat na
de wet kwam, stelt de Zoon
in, voor de eon, volmaakt.
Hebreeën 7:28
Opnieuw het contrast tussen
oud en nieuw. De tijdelijke,
zwakke hogepriesters waren
een zwakke voorafschaduwing
van het blijvende, krachtige.
Natuurlijk, de tabernakel en
de dienst waren gemaakt naar
het voorbeeld wat Mozes op
de berg getoond was.
Een afbeelding van de hemelse
‘dingen’. Alleen zo kon het voor
God aangenaam zijn, kon Hij er
behagen in hebben.
Het verwees in zichzelf naar al
het betere, dat met de Christus
kwam. Niet alleen de wet was
een woord van Jahweh, maar
het betere, het nieuwe verbond,
was dat ook. En dat kwam zelfs
met een eed.
Copyright © All rights reserved.