Onderschikking is het thema in Efeze 5:21-6:9
Het hoogst bereikbare in Gods plan
is onderschikking, en dat geldt in
de diverse samenlevingsrelaties.
Het huwelijk tussen man en vrouw is
fundamenteel, een scheppingsordening.
Naluisteren: deel A en deel B
Presentatie is HIER te bekijken/downloaden.
Woord vandaag
Wie de wet van Mozes afwijst,
zal, los van medelijden, op wat
twee of drie getuigen, sterven
Hebreeën 10:28
Hiermee wordt voor de zonen
van Israël de ernst van terug-
val onderstreept. In de wet
van Mozes werd dit principe
-2 of 3 getuigen- bij afgoderij
(Deut.17:2-7) toegepast.
Zie Deut.19:15; Num.35:30;
Mat.18:16; 2Kor.13:11
Steniging van de Israëliet om
de gruwel van afgoderij was
een uiterst harde straf.
Het was noodzaak, om de
‘besmetting’ tegen te gaan.
Hiermee wijst de schrijver op
de ernst van ongeloof in God
en Zijn Woord. Dat is vorm
van afgoderij, kun je zeggen.
De gelovige in Israël werd in
het koninkrijksevangelie niet
verzegeld met de geest.
Dat is wel zo in het evangelie
van de redding (Efe.1:13,14).
Dat kan verklaring zijn voor
het feit, dat in Handelingentijd
‘afval van heiligen’ bij Israël
mogelijk was. In de nabije
toekomst zal dat weer zo zijn
in de grote verdrukking als
sommigen in ongeloof door
de druk bezwijken. Zij gaan
het koninkrijk van de Messias
Jezus missen; zij volharden
immers niet tot het einde,
zoals Mattheüs 24:13 zegt.
Woord vandaag
een zekere afwachting echter
van gericht en van een vurige
jaloezie die op het punt staat
de vijandigen op te eten
Hebreeën 10:27
Hieruit blijkt, dat degenen die
terugvielen in ongeloof, geen
toegang zullen hebben in het
aardse koninkrijk. Doet denken
aan de koninklijke maaltijd van
de bruiloft. Er is iemand die
geen goede kleding aan heeft.
Deze krijgt een plek buiten de
‘zaal’ ofwel het koninkrijk, zie
Mattheüs 22:1-13. ‘Velen zijn
geroepen, maar weinigen zijn
uitverkoren’.
Men moet ‘volharden tot het
einde’ om binnen te kunnen
komen. Anders geen eonisch
leven, Mattheüs 24:13.
Afval van heiligen is mogelijk
in deze lijn naar het aardse
koninkrijk.
De leden van het lichaam van
Christus kunnen per definitie
niet ‘afvallen’. Een mens zal
normaal gesproken geen lid
van het eigen lichaam af- of
wegsnijden. Hun redding is in
de absolute genade van God
verzekerd.
Woord vandaag
Want bij vrijwillig zondigen
nadat wij de erkenning van de
waarheid ontvangen hebben,
laat het niet nog een offer over
aangaande de zonden
Hebreeën 10:26
Dit ‘vrijwillig zondigen’ kan niet
anders dan ongeloof betekenen.
Hebreeën moet gezien worden
tegen de achtergrond van ‘de
Handelingentijd’
Er waren heel wat gelovigen in
Israël en in de verstrooiing. Zij
hadden het ene Offer van Jezus
erkend. Hun denken veranderde,
zij hadden zich laten dopen en
ontvingen de vergeving van hun
zonden. Het evangelie van het
koninkrijk werkte toen krachtig.
Er was echter wel tegenstand;
Joodse orthodoxen bleken soms
felle tegenstanders tegen het
getuigenis door de heilige geest.
Gelovigen uit Israël raakten
verdeeld, de wederkomst van
Jezus Christus bleef uit.
Van deze ‘bekeerden’ vielen
sommigen terug. Omdat men
zo het ene Offer afwees, bleef
geen offer voor de zonden over.
De schrijver zag met pijn en
verdriet in het hart deze dingen.
Woord vandaag
niet onze eigen opzameling
verlatend, zoals de gewoonte
van sommigen is, maar aan-
sprekend, en dat nog zoveel
meer naarmate jullie de dag
zien naderen
Hebreeën 10:25
Het is fijn elkaar rondom het
woord van God te ontmoeten.
Het is in deze tijd van genade
echter geen verplichting.
De opzameling kan, gelet op
het tekstverband, wijzen naar
de vrije toegang tot de heilige
plaatsen, boven, nu de weg
tot God vrij is door het bloed
van Jezus (10:19-22). Dat de
gelovigen uit Israël die weg
van in gebed naderen niet los
zouden laten is belangrijk.
In de dagen van Handelingen
vielen heel wat gelovigen uit
Israël weg of terug omdat het
verwachte aardse koninkrijk
van de Messias Jezus uitbleef.
In 6:4-8 was er al een ernstig
woord aan gewijd. In deze lijn
van de besnijdenis was wél
‘afval van heiligen’ mogelijk.
Daarom gaat de schrijver hen
weer indringend aanspreken.
In dat licht zouden wij het nu
volgende gedeelte verstaan,
en het begin van hoofdstuk 11
spreken daar ook van.