en vanwege dat moet hij,
zoals voor het volk zo ook
voor zichzelf, offers brengen
voor zonden
Hebreeën 5:3
De hogepriester in Israël was
net zo mens als al de anderen.
Daarom moest hij ook voor de
eigen begane zonden offers
brengen. Dat was bescherming
tegen de gevolgen die ze anders
zouden hebben. De Thora was
als zodanig ook een bediening
van veroordeling. In Hebreeën 1
werd al even gezegd, dat Hij, de
Zoon, de reiniging van zonden
bewerkt heeft. Dat zou de lezer
(of luisteraar) zich bedenken.
Al de offers de gebracht waren;
ze waren nodig tot onderricht
over de wegen, methodes van
God. Het principe: zonde voor
zonde moest eerst duidelijk zijn,
en in het complement van de
tijd kwam Hij, Die al de beelden
overbodig maakte.