Want iedere hogepriester uit
mensen verkregen zet zich in
voor mensen wat voor God is,
opdat hij naast naderingsgaven
ook offers brengt voor zonden
Hebreeën 5:1
De ‘offers’ van Leviticus 1-7
staan in een opvallende orde.
Eerst het ‘brand’- of ‘opstijg’-
offer. Daarna het spijsoffer en
vredesoffer. Deze waren voor
Jahweh een welriekende reuk.
Daarna de schuld- en zond-
offers, die niet tot welriekende
reuk voor Jahweh waren.
Jahweh, de God van Israël, liet
daarin het principe zonde voor
zonde zien. Het ‘zondoffer’ is
in Hebreeuws kortweg ‘zonde’.
Daarmee werd duidelijk, dat
een andere zonde de zonde(n)
van de zondaar wegdoet.
Zo werd de Heer Jezus Christus
als het Lam van God tot zonde
gemaakt (2Kor.5:21). Daarmee
deed God de zonde weg, het
‘probleem’ van de zonde was
zodoende opgelost – voor God.
Zolang in Gods plan van eonen
voor de schepselen nog niet al
de nodige lessen geleerd zijn,
blijft het zondigen doorgaan.
Zo zal Christus, bijvoorbeeld, aan
het begin van het koninkrijk op
aarde, dit doen:
En zo zal heel Israël gered
worden, zoals geschreven is:
“Hij Die bergt zal aankomen
uit Sion, Hij zal de oneerbiedig-
heden afkeren van Jakob. En dit
is het verbond van Mij met hen,
wanneer Ik hun zonden zou
afhakken.” Rom.11:26,27