Wij dan, een grote Hogepriester
hebbend Die door de hemelen
gekomen is, Jezus, de Zoon van
God, zouden vasthouden aan
de belijdenis.
Hebreeën 4:14
Dit door de hemelen gekomen
is vermoedelijk op de dag van
Zijn opstanding gebeurd. Eerst
zei de Heer tegen Maria: ‘raak
Mij niet aan’, later op dezelfde
dag kwam Hij te midden van
Zijn discipelen in de opperzaal
en liet Zijn wonden zien.
Waarschijnlijk mochten zij Hem
toen wel aanraken. Mogelijk is
wel, dat Maria Magdalena en
de andere Maria Zijn voeten
hebben (vast)gehouden, zoals
Mattheüs 28:9 ons vertelt. Of
dat vóór of na Zijn uitspraak
over niet aanraken is geweest,
is moeilijk te achterhalen.
In ieder geval heeft Hij aan de
hemelse machten en krachten
laten zien wat er gebeurd was,
of is op zijn minst krachtig en
triomferend dat geheraut, in
Zijn opvaren naar de Vader.
Wij dan, een grote Hogepriester
hebbend Die door de hemelen
gekomen is, Jezus, de Zoon van
God, zouden vasthouden aan de
belijdenis.
Hebreeën 4:14
Nu gaat de schrijver verder
met zijn hoofdonderwerp:
De Heer Jezus is de Zoon van
God. Hij komt in de komende
eon in de bijzondere positie
voor Zijn geliefde volk Israël:
Hogepriester zijn.
De belijdenis is: Jezus is de
Messias, de Christus, de Zoon
van God; na Zijn opwekking
uit de dood is Hij als de Zoon
in volle autoriteit gesteld door
Zijn Vader. Hij is verhoogd aan
de rechterhand van God, en
ontving alle volmacht in de
hemel en op de aarde.
Opvallende opmerking is, dat
Hij de hemelen doorgegaan
is. Een aanvullende ‘hint’, die
volgt op de uitspraak van 3:1.
Gelovige broeders uit Israël
zouden luisteren naar wat in
hun dagen ook klonk en zo
deelhebben aan de ophemelse
roeping.
Pieter van ’t Veer sprak op 11 januari 2026
over de eonen en hoe God een en ander
door Zijn Zoon uitwerkt. Boeiend te zien hoe
God Zijn plan ontwikkelt en doorzet.
Naluisteren: deel A en deel B
Want jullie herinneren je,
broeders, onze moeite en
inspanning: nacht en dag
werkend om niet belastend
te zijn voor iemand van jullie,
hebben wij aan jullie het
evangelie van God verkondigd.
1 Thessalonicenzen 2:9
Paulus verkondigde destijds,
in Thessaloniki het evangelie
van God. Dat is de basis, het
fundament; het was bekend
in Tenach. Abram geloofde de
God Die hem deed opkijken
naar de sterren: ‘zo zal jouw
zaad zijn’. Dat rekende God
hem toe als rechtvaardigheid.
Wij lezen van dit evangelie in
Romeinen 3,4 en Galaten.
Dat hoorden én geloofden de
Thessalonicenzen, en het gaf
veel vrucht.
In Romeinen 5-8 sprak de
apostel van het geheimenis
van het evangelie: verzoening.
Dat was niet tevoren in Tenach
bekendgemaakt; wel waren er
achteraf gezien hints gegeven
in de tabernakeldienst.
Een rijk evangelie, dat vandaag
ook kracht van God tot redding
is voor eenieder die gelooft.
Want jullie herinneren je,
broeders, onze moeite en
inspanning: nacht en dag
werkend om niet belastend
te zijn voor iemand van jullie,
hebben wij aan jullie het
evangelie van God verkondigd.
1 Thessalonicenzen 2:9
Paulus werkte nacht en dag.
Hij wilde de gelovigen niet
materieel belasten. Zo kon
hij het evangelie van God in
genade brengen. Zo diep is
hij gegaan en het blijkt een
gezond principe te zijn, dat
voorkomt verkeerd gebruik
van materiële giften en gaven.
Dat er wel Filippenzen waren
die hem van tijd tot tijd wat
gaven, was ongedwongen.
Al wat gegeven wordt aan
het werk van de Heer zou
ongedwongen zijn. Anders is
het genade-karakter ervan
weg. Het was dan de liefde
van God, die Paulus drong
en stuurde.
Copyright © All rights reserved.