Die geen noodzaak heeft
om dagelijks, evenals de
hogepriesters, eerst voor de
eigen zonden offers op te
brengen, vervolgens die van
het volk, want dit heeft Hij
eens voor altijd gedaan,
Zichzelf offerend
Hebreeën 7:27
De priesters en hogepriesters
moesten dagelijks offeren; er
was sprake van eigen zonden
en die van de volksgenoten.
We zien hier opnieuw grote
tegenstelling tussen wat tijde-
lijk was: het oude verbond, de
schaduwen van de Thora – en
de definitieve redding die de
Heer Jezus Christus bracht.
Het was voor Hem op aarde
als Mens niet nodig om offers
te brengen. Er was bij Hem
geen sprake van zonde.
In Zijn mond was geen bedrog;
ook een schrille tegenstelling
tot degenen die Hij ontmoette.
Hij was Zelf het grote Offer, dat
geslacht werd op Golgotha. Dat was het ultieme resultaat
van Zijn wandel, op zichzelf
was dat in zeker zin al een
levend offer. En Zijn Offer, de
dood van het kruis, was eens
voor altijd. Hebreeën zal later
ook spreken over het kruis, en
ook dat maakt de plaats van
deze brief uniek ten opzichte
van de brieven van Petrus en
Johannes en Jakobus. Daarin
wordt het kruis of kruisigen
niet genoemd.