Mag echter onze God en Vader
Zelf en onze Heer Jezus onze
weg naar jullie toe wenden
1 Thessalonicenzen 3:11
Paulus was zich diep bewust
van zijn totale afhankelijkheid
van zijn God en Vader en Zijn
Zoon. Zijn verlangen, intens
gebed, was om de gelovigen
daar te ontmoeten, geloof te
delen rondom het Woord. En
in het samenzijn bemoedigd
te worden. In het licht van vers
10 was het ook zijn verlangen
in wat ontbrak aan hun geloof
te voorzien. Dat mocht hij al
doen in deze brief.
De verwachting was volgens
Zacharia 12 en 14, dat Hij, de
Messias Jezus, Zijn voeten op
de Olijfberg zal zetten. Dat zou
pas gebeuren na al wat in de
profetie van Daniël voorzegd
was; grote verdrukking.
Israël was hiervan op de hoogte.
Maar nu God een apart werk
doet te midden van de natiën
en hen roept tot heerlijkheid,
waren er allerlei vragen. Hoe zit
dat met hen in de toekomst?
Wat gebeurt er met hen die al
te ruste gelegd zijn?
Een heerlijk antwoord komt in
deze brief!
en voor zo ver het niet zonder
eed zweren was (want zij zijn
inderdaad zonder eed zweren
priesters geworden Hij echter
met het zweren van een eed
door Degene Die tegen Hem
zegt:
Hebreeën 7:20,21a
De schrijver benadrukt, dat Hij
Die kwam, groter is dan Mozes
en Aäron. De gelovigen uit het
volk Israël, zó gewend aan een
goddelijke eredienst, waarin de
Levitische priesters alles deden,
werden meegenomen. Vanaf 1:1
spreekt hij over de verhoogde
Zoon van God, Jezus Christus,
Die óók als Hogepriester wordt
voorgesteld – en dat ook is. In
deze fase van de brief wordt
echter wel duidelijk, dat dit een
tijdelijke functie is, die hen zou
brengen naar betere geestelijke
‘dingen’. Het bijzondere van zijn
betoog is, dat deze hogere orde
al in Tenach was vermeld. Wij
lazen in Hebreeën 7:17 al, dat
Hij voor de eon die functie van
Hogepriester aangezegd kreeg.
Dat is onmiskenbaar de 1000
jaren waar Openbaring 20 van
spreekt. Daarna zal de nieuwe
schepping komen.
Want de wet volbrengt níets,
maar is inleiding van een
betere verwachting, waardoor
wij naderen tot God.
Hebreeën 7:19
De Thora was voorafgaand,
kwam erbij in, tijdelijk. Hier
zegt de schrijver, dat het een
inleiding was tot een betere
verwachting. Kortom: de
wet volbrengt niets. De Heer
riep aan het kruis: het is vol-
bracht (zelfde werkwoord!)
en daarom is Christus de
voltooiing van de wet, tot
rechtvaardigheid voor ieder
die gelooft (Rom.10:4).
De wet had een schaduw van
toekomende goede ‘dingen’.
En hier lezen wij ook: beter,
één van de 12 keren dat dit
begrip in Hebreeën gebruikt
wordt. De Thora gaf een hint
naar de betere verwachting;
die is te vinden in de brieven
van Paulus. Niet een aardse,
maar op-hemelse verwachting.
Dat begrip is al in 3:1 van deze
brief gebruikt, en zal verder
nogmaals genoemd worden.
Hebreeën bouwt verder op de
Thora en Israëlische gelovigen
zouden hierin meegaan.
Paulus is op weg terug naar Jeruzalem.
Hij wil daar, door de Heer op zijn hart gelegd,
voor pinksteren aankomen.
Allerlei maakt Paulus mee en gaf steeds
door wat de Heer hem duidelijk maakte.
Naluisteren: deel A en deel B
Want er komt inderdaad een
afwijzing van het voorafgaande
gebod omdat het zwak is en
nutteloos
Hebreeën 7:17
Dit geldt niet alleen voor wat
over de priesterdienst gezegd
is. In de Thora was wat geboden
was, op het vlees gelegd. God
wist tevoren dat Israël daarin
zou falen. Dat was ook in de
Thora zelf voorzegd. Het was
‘zwak en nutteloos’, want het
vlees kón het niet volbrengen.
Op zich is het gebod heilig en
rechtvaardig en goed, zegt de
apostel in Romeinen 7. Zelfs:
de wet is geestelijk. Waarom?
Omdat het Gods woorden zijn,
die uitspreken Wie Hij is.
Natuurlijk was dat niet alles,
het was voorafgaand, tijdelijk
(Rom.5:20), vol schaduwbeel-
den van Hem, Die zou komen.
Het was in die zin nutteloos,
dat het de zondaar niet verder
bracht; offers onder het oude
verbond bedekten de zonden,
maar namen die niet definitief
weg. De dood van Christus én
Zijn opstanding doen dat wel.
Copyright © All rights reserved.