In welke wil wij geheiligd zijn
door het naderingsgeschenk
van het lichaam van Jezus
Christus, eens voor altijd.
Hebreeën 10:10
Het eens voor altijd klinkt in
dit verband nadrukkelijk. De
Heer heeft Zich éénmaal in
de dood als Mens gegeven.
Dat was genoeg, voldoende,
het is volbracht. Ook in 7:27
klonk dit. Hebreeën 9:12
noemt het eens voor altijd
binnengegaan zijn in de
hemel met Zijn bloed.
Paulus, in Romeinen 6:10,
benoemt het gestorven zijn
van Christus als eens voor
altijd zeer nadrukkelijk.
En wat Hij nu leeft, leeft Hij
voor God.
Zijn wérkelijk opgestaan zijn
betoonde Hij eens voor altijd
aan meer dan 500 broeders,
1 Korinthiërs 15:6 meldt dat.
We vertaalden daar: tegelijk*
en dat was in die bijeenkomst
zeker het geval.
De Opgestane is verheerlijkt
aan Gods rechterhand.
Het grote Naderingsgeschenk
van God was en is compleet,
wij nu zijn in genade geredden
dat is niet uit onszelf; van God
is de Naderingsgave!