En mogen we op elkaar acht
geven tot prikkeling van liefde
en van uitstekende werken
Hebreeën 10:24
Nu is de drieslag aangegeven,
waar ook Paulus in 1Korinthiërs
en andere brieven van spreekt.
Geloof (:22), verwachting (:23)
en nu liefde (:24). Zo zien we,
dat de schrijver bezig is gelovige
zonen van Israël te wijzen naar
wat Paulus verkondigt. We zien
in 3:1 de ophemelse roeping, en
er is gewezen op de verwachting
die zij voor ogen mogen hebben
(6:17-19). De schrijver heeft ook
gewezen op de goddelijke dienst
van de ophemelsen (8:5). Daarbij
is opgemerkt, dat de tabernakel
en de daarbij horende dienst naar
het ophemelse voorbeeld zou zijn
dat aan Mozes getoond was.
De agapê liefde zou ook voor hen
maatstaf zijn, de geest zou dat in
hen uitwerken. Daarmee ook de
uitstekende werken die horen bij
zo’n verwachting en roeping.
Dat is een heel andere sfeer dan
de rituelen en verplichtingen in
het oude verbond. In Hebreeën
is merkbaar genade aanwezig.
De overstromende rijkdom van
Gods genade is echter bij Paulus
te lezen in Romeinen en Efeziërs.