Woord vandaag

De woorden van een lasteraar zijn als lekkernijen,
die dalen af in de kamers van iemands buik
Spreuken 18:8
Het woord ‘lasteraar’ is eigenlijk: ‘een fluisteraar, die ver-
haaltjes vertelt’. En daardoor eigenlijk iets over iemand

anders, of over anderen, waarmee hij met zijn voeten op
de reputatie of naam van de ander is gaan staan.

‘Dat is dus eigenlijk bewust iemand beschadigen!’

En er zijn er altijd die maar al te graag (lekkernijen!) die
woorden in zich opnemen en in hun ‘buik’ op slaan om

het op een (on)geschikt moment weer door te vertellen.
Waarmee degene(n) waarom het gaat, nog meer beschadigt
raakt. Helaas komt dit ook onder gelovigen voor.

‘Ja, maar als dat onder gelovigen gebeurt, is het net de wereld!’

We kunnen dat dan wel constateren, ja. Hoeveel aardsgezind-
heid er is, we weten het niet. In elk geval is er op het gebruik
van de tong onder gelovigen nog heel wat bij te schaven.
De apostel wijst er niet voor niets nadrukkelijk op. Er wordt
op dat terrein veel geleden. Het gebeurde in Paulus’ dagen
ook, en Spreuken wijst er al op.

‘Maar nu, legt ook jullie dit alles af: verontwaardiging,
gramschap, kwaadaardigheid, lastering en vuile taal uit
jullie mond.’
Kol.3:8

Woord vandaag

‘Die Spreuk van vandaag gaat ook weer over de tong.’

Dat thema komt in Spreuken opvallend vaak terug. Lijkt ook
logisch, want waar het hart van de mens vol van is, spreekt de
tong van. Ook besteedt Romeinen 3:13,14 daar aandacht aan.
Maar goed, de Spreuk van vandaag is:

De mond van een dwaas is zijn ondergang,
zijn lippen zijn een valstrik voor hemzelf.

In dat licht kun je in dat sterke voorbeeld van 2 Koningen 2:23,24
de ‘kleinen’ die uit Bethel op Elisa afkomen, roepen iets dat zeer
ongepast is. Zij roepen, wat steeds vertaald wordt met ‘kaalkop’,
maar betekent meer: ‘afgeschoren’ en wil niet per se zeggen, dat
het hoofd helemaal kaalgeschoren is. Maar, zij riepen wel iets,
dat zij niet konden maken, zeker als het gaat om een man van God
als Elisa. Het had grote gevolgen: er kwamen twee beren uit het
woud tevoorschijn en er werden van deze ‘kleinen’ gedood.

‘Wat zij riepen als dwazen, had dus grote gevolgen!’

En dat is exact wat de Spreuk zegt. Zo komt ook uit de mond van de
mens wat hij belijdt. Als we bijvoorbeeld kijken in een profeet als
Hosea, dan zien we, als Israël door Jahweh verlost is, zal zij niet lang-
er de naam Baäl in de mond zal nemen, maar de Naam van Jahweh!
Jahweh zal namelijk zelf de namen van de Baäls uit haar mond weg-
doen en aan hun namen zal niet meer gedacht worden! (Hosea 2:15,16)

 

 

 

Woord vandaag

De lippen van een dwaas brengen hen in strijd,
zijn mond roept om slagen.

‘Het gaat weer om de mond he, wat daaruit gaat. Dat komt
telkens terug in Spreuken.’

De dwaas is hier weer ‘de trage, vadsige’ en spreekt kennelijk
zonder al te veel erbij na te denken. Want wat over zijn lippen
komt, brengt hem in strijd. Hij kan zijn mond gewoon niet
houden. Zegt gewoon maar alles wat voor komt. Dat is niet han-
dig. Anderen reageren erop en het brengt twist voort.

‘Maar in het lichaam van Christus is dat toch anders?’

Dat wel ja, het zou anders zijn, Paulus heeft wel aanwijzingen
als het gaat om de mond en wat daaruit komt. In Efeziërs 4: 29
en 31 zegt hij:

Laat geen enkel bedorven woord uit jullie mond uitgaan….

Laat alle bitterheid en gramschap en verontwaardiging en geroep
en lastering (…) van jullie worden weggenomen…..

En de dwaas laat dit alles wel uitgaan. Er zijn onder gelovigen ook,
die
toch deze dingen hun mond laten ontglippen. Terwijl juist de
geest van God daarin verandering zou brengen. Maar die overheerst
niet, de gelovige zou meer en meer zich laten leiden door die geest
en niet door eigen gedachten.

‘Wat is het toch belangrijk he, wat we wel en niet zeggen.’

Je leest het door heel de Schrift heen. Als je Jakobus 3 erop naslaat,
merk je ook weer hoe belangrijk die tong van de mens is. Het is als
een roer van een schip, dat zelfs de vorm van een tong heeft. Het
leidt de mens zelfs in zekere zin. Anderen wijzen je er soms op wat
je ooit hebt gezegd. En of je dat dan wel of niet bent nagekomen. Het
is van belang dat we ons dat bewust zijn!

...spreekt, indien er een goed woord is voor de benodigde opbouw,
opdat het genade zou geven aan wie horen
Efeziërs 4:29

Woord vandaag

Het is niet goed een slechte voor te trekken
en het recht van de rechtvaardige te buigen in het gericht.
Spreuken 18:5
‘Het lijkt erop, dat het hier gaat over wat we ‘klasse-justitie’ noemen?’

Dat wordt hier aangesproken als “niet tof”, niet goed. Het gericht
kan een goddelijk, maar ook een menselijk gericht zijn. In Israël zou

men altijd moeten richten aan de hand de Thora. Dat was de richt-
lijn die Jahweh aan Zijn volk heeft gegeven, zoals Deuteronomium
25:1 bijvoorbeeld zegt:

Wanneer er tussen mannen onenigheid is en zij voor het gericht
komen
en men over hen rechtspreekt, dan moet men de rechtvaardige
rechtvaar
digen en de slechte veroordelen.

We zien dezelfde woorden in beide teksten terugkomen: ‘slechte’,
‘rechtvaardige’, ‘gericht’. De Spreuk geeft aan, dat in een gericht niet
naar het (aan)gezicht van een slechte (goddeloze) gekeken moet worden,
maar op een rechtvaardige manier aan de hand van gedragingen.

‘In de praktijk gaat dat nogal eens mis dan!’

Daarvan zijn genoeg schrijnende voorbeelden te noemen. We heb-
ben in de Schrift zelf een groot voorbeeld waarbij deze principes

ernstig geschonden werden, feitelijk genegeerd werden.
De Heer Jezus zelf, want Hij is eigenlijk dé rechtvaardige in dit vers!
Wat met Hem gebeurde in de rechtsgang had niets met recht spreken
te maken. Zijn recht werd zeer ernstig geschonden. Hij werd zelf als
rechtvaardige ‘afgebogen’ en in de positie van slechte (goddeloze) ge-
manouvreerd. De overpriesters en schriftgeleerden hadden dat nodig,
omdat hun eigen positie in gevaar kwam.

‘Ja, en Barabbas, de moordenaar, werd naar voren geschoven om los te
laten op die dag.’

Zo zien we, dat de richtlijnen die God in Tenach had neergelegd aan de
kant werden geschoven door degenen die dat erg goed wisten. Maar als

ze van een lastig Iemand af moeten, die nota bene hun eigen positie van
heersers over het volk in gevaar bracht, dan geldt het woord van God
even niet.
Uiteindelijk beseffen wij achteraf, dat het met Hem zo moest gaan, opdat
heel de wereld gered zou worden!

Woord vandaag

De woorden uit de mond van een man zijn diepe wateren
de bron van wijsheid is een overvloeiende beek.
Spreuken 18:4

‘Een bijzonder woord weer uit deze Spreuken van Salomo.’

De woorden die een man spreekt, komen uit zijn hart. Zoals de
Heer zei: ‘uit de overvloed van het hart spreekt de mond’.
Met het oog op het tweede deel van deze Spreuk kan het niet
anders dan om de Heer zelf gaan, die hier naar voren komt.
Voor zover het om anderen gaat, moet er eerst een diepgaand
werk van de geest van God in iemands leven en hart plaatsvin-
den voordat dit ook van een ‘gewone’ man gezegd kan worden.

‘Je kunt ook alleen ‘Jezus is Heer’ van harte zeggen door de heilige
geest van God.’

Ja. Zo schrijft Paulus dat aan de Corinthiërs. De ‘diepe wateren’
staan in dit vers tegenover ‘de bron van wijsheid’ en ‘de woorden
uit de mond van een man’ tegenover ‘een overvloeiende beek’.
Als het gaat om het woord van God, dan is dat levenbrengend,
helder en verfrissend water. Zoals de Thessalonicenzen de woorden
van de apostel en zijn medewerkers aanvaardden als wat het inder-
daad is: Gods woord en niet dat van mensen.

‘Ja dat werkte heel krachtig onder hen.’

Dat bleek, want er was kracht, de heilige geest werkte merkbaar en
er was volkomen zekerheid in de harten van de Thessalonicenzen.

Tegelijkertijd bewijst dat woord van God steeds, dat de bron is van
ware wijsheid. We zijn daarin gezegend met de diepe wijsheid, die
lang verborgen was in God, maar nu onthuld door de brieven van de
apostel Paulus. Uit het woord van God borrelt steeds nieuw, fris water
op en loopt over naar de mensen toe, voor ieder die wil horen.

‘Je ontdekt steeds meer, dat dat echt de enige bron voor werkelijke
wijsheid is voor je leven.’

Je richt je leven naar die principes, en als je dat doet, levert dat vreugde
in je hart op, te midden van omstandigheden die normaal gesproken je
geen blijdschap zouden geven. Je wordt hoe langer hoe meer onafhanke-
lijk van je omstandigheden als het gaat om die vreugde in je hart. Je weet
dat God als je Vader niets fout doet en alles doet samenwerken tot het
goede!