Want jullie hebben ook mee-
gevoeld met mijn gebondenen
en hebben de roof van wat
jullie toebehoort met vreugde
aanvaard, wetend dat jullie
zelf een beter en blijvend
bezit hebben in de hemelen.
Hebreeën 10:34
Door de vervolgingen, in het
boek Handelingen (8:1 etc.)
genoemd, raakten nogal wat
gelovige Joodse mensen hun
bezit kwijt. De schrijver is het,
die kennelijk ook gevangen is
geweest; spreekt van ‘boeien’.
De gelovigen zaten niet vast
aan hun aardse bezit; in het
licht van wat beloofd was in
het koninkrijksevangelie was
dat voor hen niet iets groots.
Zij zullen in het in Daniël 2:44
en 7:22,27 beloofde rijk van
de Messias Jezus een waar
en rechtvaardig lotdeelbezit
genieten. Dat zou, net als de
Heer Jezus, uit de hemel op
aarde komen. Petrus spreekt
daar ook over in 1 Petrus 1:4,
waar hij het aan zijn volk in
de verstrooiing aanzegt.
Met ‘een blijvend bezit in de
hemelen’ verwijst de tekst
ook naar wat eerder klonk;
de ophemelse positie van hun
Messias Jezus, de Christus;
in 3:1 de ophemelse roeping,
en in 8:5 de dienst aan God
van de ophemelsen. Zo kon
de gelovige Hebreeër onder
de aandacht krijgen wat in
Paulus’ brieven klinkt.