‘We zijn weer fijn in Spreuken 16 bezig. Wat brengt vers 30
ons?’

We gaan dat bekijken; elk vers vertelt en vult aan wat we aan de
weet kunnen komen om verdere wijsheid van God te verkrijgen:

Hij doet zijn ogen dicht om verderfelijke dingen te bedenken,
bijt hij op zijn lippen, dan voert hij kwaad uit.

Deze wetteloze zet zijn ogen vast om een plan tot ontsporen uit te
denken. Je kunt ook aan bijna dichtgeknepen ogen denken als aan-
duiding van een nadenkend gezicht. Ogen staan voor het geestelijke
of geestelijke dingen. En hier gaat het om gedachten (komen uit de
geest van dat mens), die het verkeerde, het afwijkende, uitdenken.

‘Zonder God denkt het hart van de mens geen goede dingen uit.’

Het wordt uiteindelijk niets met de mens zonder de geest van God.
Dat is de enige redding, God moet dat geven. In de tweede zin zien
we de uiting van de gedachten: hij bijt op zijn lippen of: hij strekt
zijn lippen, als aanduiding dat hij spreekt. Als er zaken in het hart
zitten die afwijken van God, dan denkt de mens het verkeerde uit
en dat leidt tot uitspraken die om het kwaad draaien.

‘En de wetteloze zal daarvan het ultieme voorbeeld zijn?’

Ja, hij krijgt van God de ruimte. Hij zal kwaad in de zin hebben, o.a.
tegen Israël, en het zal hem nog gelukken ook. Hij zal de waarheid
op aarde werpen, God zal een krachtige dwaling sturen en hij zal
kwaad kunnen uitvoeren, totdat hij door de Heer Jezus Christus
buiten werking gesteld wordt. Hoe het ook gaat, we hebben een
geweldige verwachting, alles zal van Hem gaan komen!